de oorsprong van

Video: hoe is het leven ontstaan?

Niemand keek toe, hoe het allereerste leven ontstond, miljarden jaren geleden. Toch – aangenomen dat het leven op aarde zelf ontstaan is en niet ergens anders – weten we het een en ander van hoe de omstandigheden op aarde zo lang geleden waren, en welke theorieën het kansrijkst zijn om het ontstaan van het leven op aarde te verklaren.

Er zijn meer aanwijzingen, bijvoorbeeld de manier waarop het leven is geëvolueerd. Celonderdelen zoals ribosomen dragen sporen met zich mee van een ver verleden, waarin het leven anders en eenvoudiger was dan nu. Hoe hetr leven precies is ontstaan zullen we vermoedelijk nooit weten, maar we zullen wel plausibele mechanismen vinden die afdoende verklaren hoe het leven uit dode materie kon zijn ontstaan.

De oorspring van de eerste bouwstenen van het leven ligt vermoeleijk in de ruimte. Bron: ALMA telescope team

Euraziatische oertaal dateert van 15.000 jaar geleden

Taalkundigen ontdekten door statistische analyse, dat totaal verschillende Euraziatische talen als Japans, Turks, Hongaars en Nederlands, ja, zelfs Yapik-Inuit (de taal die door de Inuit in in Alaska wordt gesproken), alle terug te voeren zijn op één oertaal die van vlak na het hoogtepunt van het laatste glaciaal dateert.

De geografische verspreiding van de zeven taalgebieden. Geel: Indo-Europees, zwart: Dravidisch, blauw: Finoegrisch; rood: Inuit; roze: Chukchi-Kamsjatkaanse talen, oranje: Altaïsch; groen: Kartvelisch.

Zeven hoofdgroepen
In het onderzoek zijn talen behorende tot zeven hoofdgroepen bestudeerd. Dit zijn:

  • de Indo-Europese talen (nu gesproken in verreweg het grootste deel van Europa en door Europeanen gekoloniseerde gebieden, Iran en het noorden en midden van Zuid Azië),
  • Uralische talen (Fins, Estlands, Hongaars en enkele door inheemse groepen in Noord-West Siberië gesproken talen),
  • Altaïsche talen (voornaamste talen: Turks en verwante talken, zoals Azeri; Mongools, Koreaans en Japans),
  • Dravidisch (de vier grootste talen Tamil, Telugu, Malayalam en Kannada hebben samen rond de 200 miljoen sprekers in Zuid-India),
  • Inuit-talen (gesproken in Alaska, Noord Canada en Groenland),
  • Chukchi-Kamchatka talen (gesproken door inheemse groepen in het uiterste oosten van Siberië)
  • Kartvelische talen (voornamelijk Georgisch).

Onveranderlijke oeroude kernwoorden
Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van ouroude stamwoorden die veel minder snel blijken te veranderen dan minder gebruikte woorden. Zo lijkt het Sanskriet- en Hindi-woord agni (vuur) sprekend op het Latijnse ignis of Russische ogon met ruwweg dezelfde betekenis. Hoe vaker een woord gebruikt wordt, hoe kleiner de kans dat het muteert. De onderzoekers stelden van enkele kernwoorden mutatiesnelheden op. Enkele woorden, door de onderzoekers “ultraconserved words” genaamd, bleken een mutatie-halfwaardetijd van tienduizenden jaren te hebben. Je kan hier een duidelijke overeenkomst met biologisch erfelijk materiaal zien. Er treden veel meer mutaties op in weinig belangrijke onderdelen van de genetische  code, dan bijvoorbeeld in zaken die van levensbelang zijn voor organismen, zoals in het DNA dat ribosomen en transcriptase beschrijft.

Filolinguïstische boom met afsplitsingsdata. PA: proto-Altaïsch; PU: proto-Uralisch (FIns); PIE: proto-Indo-Europees, PD: proto-Dravidisch, PI: proto-Inuit, PCK: proto-Chukchi-Kamsjatka

De onderzoekers gingen uit van de onder taalkundigen veelgebruikte Swadesh-lijst (versie van I.Dyen) van tweehonderd weinig veranderlijke woorden. Ze deelden woorden onder in zeven klassen. Hoe meer taalkundige hoofdgroepen het woord kennen, hoe hoger de klasse. De meeste woorden in de Swadesh-lijst blijken alleen in een, twee of drie hoofdgroepen overeen te komen.  Twee woorden van de lijst, waaronder het woord voor jij,  komen in alle groepen voor. Reden voor de onderzoekers om een gemeenschappelijek oertaal te postuleren.

Indo-europese talen meest verwant met Fins en Hongaars
Met behulp hiervan konden de onderzoekers een filolinguïstisch diagram opstellen, een soort boom waarbij elke tak een taalfamilie weergeeft. Dit leverde opvallende uitkomsten op. Zo blijken Dravidische talen af te wijken van alle andere onderzochte Euraziatische talen: de Dravidiërs blijken 15.000 jaar geleden, dus nog tijdens de laatste IJstijd al hun eigen weg gegaan te zijn. Dit terwijl de Dravidiërs net als bijvoorbeeld de Indo-Europeanen uit Centraal Azië komen. Tweeduizend jaar daarna zonderden de Georgiërs zich af, waarna 12 millennia geleden de Finnen en de Indo-Europeanen zich afsplitsten van de overblijvende groepen (en rond 11.000 jaar geleden, bij de stat van het Holoceen, splitsten). De oostelijke groep waaierde uit over Siberië, waarna eerst de Altaïsche groep achterbleef en daarna, met het onder water lopen van de Beringstraat na het einde van de ijstijd, de Inuit losraakten van hun Oost-Siberische verwanten.  Ook taalkundig gezien is er dus bewijs voor isolatie van de Inuit rond de 10.000 jaar geleden.

Bronnen (incl. diagrammen)
Mark Pagel et al., Ultraconserved words point to deep language ancestry across Eurasia, PNAS (2013)

Dutch